Martineau over Martineau als schilder

“Ik leerde het huis-en dekoratieschilderen, o.a. het styleren van allerlei planten, diervormen en voorwerpen,voor de versiering en vele reklamedoeleinden. Als beeldend kunstenaar ben ik autodidact.

Mijn thematiek richt zich, los van een voorkeur of het nadrukkelijk aantonen daarvan, op dramatische situaties tussen mensen, ook, en met hun alledaagse voorwerpen als brieven, kranten, schoenen, scharen en meer van die kleine, maar belangrijke dingen. Ik schilder vaak met uitschieters naar het absurdisme; soms verlies ik me in een “bijna” verstrengeling met het surrealisme, de vorm die ik bij Johan Miro in veel van zijn werk zo bewonder door het mysterieuze van ons bestaan. Maar ik ben uiteraard tegen het “verhaal” in mijn werk, de ophef of het omschrijven van belevenissen als het de vrijheid van een creatief proces in de weg staat. Ik heb niet de lust een kunstvorm vanuit een theoretisch plan, een nieuwe constructie voor een schilderij vooruit te bedenken. Ik heb op dat gebied, hoe de kunst er nu vandaag moet uitzien, geen aanleg. Het creatieve proces en vormonderzoek naar het best mogelijke als het gaat om “pure” schilderkunst laat ik vanuit het werken aan schilderijen en een zo groot mogelijk aantal tekeningen ontstaan.

Dikwijls hoop ik de spanning en spontane geladenheid in het werk vanuit een irrationele aanpak te treffen, maar de thema’s over liefde, erotiek, angst en onrust dwingen mij toch het zo werkelijk te beleven met hart en hoofd dat ik het binnen de harde, zwarte contouren wil bewijzen in portretten met lustmonden en happende muilen met veel trillende tongen, angstig verbeten grimassen in koppen die verontrust alle kanten opkijken, ook brokstukken van gebroken gezichten, de ruimten tussen neus en oor en oog en kin versierd met een bloem, een zinnelijk ogende koffiemolen, een gedoofde zwarte gloeilamp, vrolijk huisje en op de kop steil opstaande ezelsoren. meer beeld/sculptuur >>

Martineau over Martineau als dichter

Ik probeer altijd de weg tussen mij en het gedicht en tussen het gedicht en de lezer zo kort mogelijk te maken. Het moet zijn alsof ik zeg:ga eens even zitten, luister eens even naar wat ik nu geschreven heb. En dan moet je niet denken: goh, ik ben blij dat het afgelopen is. Er moet een stilte komen die ongelofelijk bijzonder is, omdat er iets is gebeurd dat je niet had verwacht. Je moet dan niet meteen zin krijgen om de radio aan te zetten, de theepot te pakken of de fruitschaal opnieuw te rangschikken. Het gedicht hangt nog om je heen en dat gooi je niet even van je af, je gaat plat.

Dat bereik je niet met spreektaal, ook al is die vaak schitterend. Je moet het altijd kneden, vormgeven om het te kunnen bewaren. Dat hele archief dat je hebt, dat laatje waar je het helemaal instopt, alle situaties en relaties die je hebt met mensen en dingen in je omgeving. Je trekt het open, je beleeft het opnieuw, maar je moet het kruiden, het moet schitteren en stralen, er moet een gouden lijst om. Dat zijn de beelden die je kiest, in een worsteling om het beste te bereiken, de krachtigste tekens, de grootst mogelijke expressiviteit. In de gewone spreektaal ben je niet zo expressief, zo overladen beeldend. Dat zou natuurlijk mesjogge zijn.

Anton lezendEen gedicht moet door en door geladen zijn, je brengt krachten bij elkaar zodat er een spanning onstaat die op het punt staat te exploderen, strakker en strakker, nog intenser nog en gloedvoller. Het moet door elk pantser heen, tot in de kleinste vezels moet het je lijf doortrillen. Ik zou bijna zeggen dat je haren overeind moeten gaan staan. vervolg tekst >>

CV Anton Martineau >>

(Uit:Martineau Poëzie van een dubbeltalent, Amsterdam 1992)